Lairesse 1712/II

Gérard de Lairesse, Groot Schilderboek, Waar die Schilderkonst in al haar deelen Grondig werd onderweezen, ook door Redeneeringen en Printverbeeldingen verklaard; Met Voorbeelden uyt de beste Konst-stukken der Oude en Niuwe Puyk-Schilderen, bevestigd: En derzelver Wel- en Misstand aangeweezen II, Amsterdam [Hendrick Desbordes] 1712.


pp. 137–139

Van de Zolderwerken, of het schilderen
der
Plafonds.

VIII. [!] BOEK.

Eerste Hoofdstuk.

Moeijelykheid welke
deze Konstdeffening veraelt.

ONder alle de verkiezingen in de Schilderkonst is ’er geen zo zwaar+ als die der Plafonds, of Zolderwerken, schoon veele weinig zwaarigheid daar in maaken, ja dikmaals minder als in een Stuk aan de wand, of op een schoorsteen. De reden daar van is deze, dat het meeste deel der menschen geen kennis daar van hebben, en dat het hun niet verscheelt waar mede hunne verhemeltens beklad worden, als het maar gaauw gedaan werd, dat het wakker in de oogen schittert, en weinig geld kost. Voor dezen plagt men met luchtig en gaauw gedaan loofwerk te vreede te zyn, op dat men voor het beschilderen van zulk een groote plek niet diep in de beurs behoefde te tasten, dan des noodts zynde, en op plaatsen daar veel aan geleegen was: maar dewyl zy nu zien, dat zy het allengs by de tegenwoordige Schilders, en deze gesteldheid der tyden, voor een en dezelve prys konnen krygen, en dat zy daar niet meer werk van maaken, neemen zy die gelegentheid waar; laatende overal Plafonds maaken met geschiedenissen en zinnebeelden, alles zonder onderscheid, het past of niet. Doch wat zal men zeggen! Het is met alle dingen gelyk het spreekwoord luid: Als de zanden verloopen, moeten de bakens verzet worden.

Oud gebruik in deze Studie.

Men ziet, dat alles uit een kleen begin door de wakkere geesten der vernuftige Oeffenaars werd opgekweekt, en eindelyk tot volkomenheid geraakt. Zo is ’t met deze Konst ook. My heugt noch veele Plafonds gezien te hebben met beelden, landschappen, zee-en landgevegten, en meer andere dingen, zonder eenige de minste verkortinge, min noch meer als of de zelve tegen een opstaande muur geschilderd waren. Ik heb’er ook verscheidene andere gezien, die min of meer van onderen en tot niet verkortende waren, ook wel die min of meer verkortten, maar zonder oogpunt: waar uit blykt, dat, by aldien de Doorzichtkunde niet in acht genomen werd, zodanige Stukken onmogelyk tot die volmaaktheid konnen gebragt worden gelyk het behoord. Om een weinig na order te gaan, zo laat ons eerst den naam der zaak onderzoeken.

Oorspronk van den naam.

Het woord Plafonds is een Fransch woord, en betekent een platte of efsene grond, bekwaam om met plank of doek bekleed te worden, ten einde daar zodanige verbeeldingen of cieraaden op te schilderen, of te boetseeren, als men goed oordeelt, meest bestaande in geschiedenissen met vliegende beelden, luchten met vogels, bloemen, en meer andere dingen: doch de regte meening van het woord Plafonds is eigentlyk in zyne zinbetekening een Zoldering, zo van zaalen, kamers, tempels of gaanderyen, ja alles wat boven het hoofd hangt, en paralel of gelyklynig met de grond is. Zodanige Zolderstukken werden Optiek genaamd, om die reden dat ze van een bepaalden afstand moeten gezien worden, waar buiten zy zich onvermydelyk misstallig vertoonen, gelyk wy hier na zullen aanwyzen.

En waar in een Zolderstuk bestaat.

In de zaak zelve is aan te merken de eigenschap van een Plafonds, en waar in die met een Schildery aan de wand is verschillende. Voor eerst, in de verkortinge der voorwerpen; en ten tweden, in de koleur. Ik spreek, ten opzichte van de voorwerpen die in het een en ’t ander zyn begreepen, zo gebouwen, balustrades, beelden, en wat ’er meer zoude mogen weezen in een Ordinantie te pas komende; alle welke dingen in een hangend Tafereel, zo in lengte als breedte, hunne volkomenheid behouden, verkortende alleenlyk in hunne diktens. In de Plafonds, in tegendeel, is noch lengte, maat, noch proportie waar te neemen: ja alles verkort, behalven de basis en de kap. Dat rond is, blyft cirkelrond; en dat vierkant is, in zyne winkelhaak; ’t zy in het midden, op zyde, hoogte of laagte. Wat nu de koleur aangaat, het is wel af te neemen dat die ook heel veel moet verschillen; naamentlyk dat de koleuren in de Plafonds ongelyk schoonder moeten uitmunten, niet alleen op den dag, maar ook in de schaduwe, wel te verstaan in een helderen dag; welke reden wel te bezeffen is.

Wat in een Konstenaar
dezer Konstoeffening
vereischt word.

Daar en boven dient men te weeten, wat een Konstenaar met de Optica kan uitwerken. Door middel van de zelve, of Perspectief practyk, kan men regt doen schynen dat scheef of rond is, plat en effen dat hol en rond is, ja zo het uiterlyk schynt vertoonen dat ’er niet en is; gelyk de beroemde Pater Niceron, en meer anderen klaarlyk aangeweezen hebben: waarom men zich niet behoeft te verwonderen, dat ’er zo weinige Schilders in dit deel van de Konst uitmunten, vermits de Perspectief zelden door hen zo veel verstaan word om de practyk vast te konnen hebben; daar nochtans zonder de zelve onmogelyk een goed Plafonds of Zolderstuk kan werden gemaakt. ’t Is wel waar, dat ’er veele Schilders zyn die zich verstouten zodanige werken te onderneemen, en dat ze ook somtydts wat goedts verrichten; want de werksaamheid en dagelyksche oeffening doet ’er dikwils veel toe: doch zy onderzoeken niet, of het de kortste of langste weg is dien zy volgen; neemende maar gemeenlyk die hun voor komt; martelende en vroetende zonder wissigheid; en zich laatende geleiden door het blinde geval.


p. 139

Zwaarigheden die men ontmoet in het schilderen der
Plafonds.

TWEDE HOOFDSTUK.

Oorspronk veeler
gebreeken opgezocht.

VOor eerst ontstaat ’er een groot gebrek, door dien men het leven niet kan gebruiken, noch in het naakt, noch in de vliegende kleeding; daar het nochtans de voornaamste dingen zyn.

Ten tweden, dat men niet dan met groote moeite den wissen en zekeren stand der beelden, die men daar in plaatsen wil, kan vinden; waar door het meest na gissing moet geschieden.

Ten derden, dat men de Stukken niet zien mag gelyk het behoort, zo lang als ze op den Ezel staan.

Eindelyk volgt hier uit, dat de Meester altyd bekommerd is wat uitslag het Werkstuk zal komen te hebben wanneer het op zyne plaats zal gesteld weezen.

Deze zwaarigheden, dunkt my, zyn vry wat bekommerlyk, ja zelf voor een die zyn werk wel verstaat: want met de geenen, welke meer met de handen werken dan met den geest, dat ’s te zeggen zonder fondament, gaat het heel anders, schoon zy veel meer dan anderen behooren bekommerd te zyn. Laat men zo veel Zolders schilderen als men wil, zo lang als men niet gelooft dat ’er grondregels toe zyn, en de zelve niet kent, zal men nooit deze zwaarigheden te boven komen. De gaauwste, schranderste, en ervarenste Schilder die ’er kan weezen, zal zich in deze oeffening noch dikwils verleegen vinden. Men leere dan de Perspectief optica, en wat die ons aanwyst: want door dat middel alleen zal men zich een weg baanen tot deze hoogloffelyke studie; en buiten het zelve is het een volkomene onmogelykheid.

. . .


Online Edition

Gérard de Lairesse, Groot Schilderboek, 1712 (dbnl).